Santiago – deel 1

Al een week lang wordt voor de laatste etappe enorm veel regen verwacht. En zoals bijna elke dag van de afgelopen week wandelen we minstens de halve dag in de zon en gaat het pas echt hard regenen tegen de tijd dat we bijna binnen zijn.

Andere keren hebben we een stralende middag, dit keer is juist de ochtend mooi. De zon straalt en opnieuw is de route prachtig. Ik loop veel alleen. Enerzijds weemoed denk ik, maar vooral ook een toeleven naar de finale.

Sinds een dag of drie is Fernando onderdeel van ons reisgezelschap. Ik heb samen met hem gegeten in Ponferrada, in een periode waarin ik nog dacht 15 km per dag te wandelen en blij was als ik Sarria ging halen. Allebei kregen we een glimlach van oor tot oor, toen we elkaar weer zagen. Door me aan Christina’s schema te houden (25 km+) per dag en omdat Fernando voor zijn werk de tocht had onderbroken door naar Madrid te gaan, was ons weerzien even blij als onverwacht. We wandelen met z’n drieën, eten met z’n drieën, delen een kamer met z’n drieën. Dan weer een stuk ieder voor zich, maar steeds met elkaar in contact via Whatsapp.

Het weerzien met Fernando luidt een lange reeks van weerzie momenten in van mensen uit mijn hele tocht sinds de Pyreneeën. Van Paul, die de dag voor mij de bergen naar Spanje overtrok, tot twee lieve stoere meiden van 18 uit Californië die 130 km in drie dagen wegtikken en ik gisteren voor het eerst zag. De groep mensen die ik heb ontmoet wordt steeds groter, omdat ik erg vrolijk wordt om iedereen te groeten en waar ik kan een praatje te maken. Onvermoeibaar babbel ik in inmiddels een mengeling van 7 talen en af en toe een woord Chinees. Met het groeien van die groep groeit ook het aantal keren van iemand weerzien. Christina scheert gek dat ik iedereen op de Camino ken. Er zijn momenten dat het heel even zo lijkt alsof dat waar is.

Maar tegelijk in deze extase van vrolijkheid, kameraadschap en vreugde wordt ik stiller van binnen. Ik heb deze tocht ook ondernomen om verantwoordelijkheid te nemen, of, zij het op mijn eigen wijze, boete te doen voor vroegere momenten van zwakte en vergissingen in keuzes.

De beloofde regen, mijn langzaam steeds pijnlijk wordende voet, de nadering van de kathedraal met Jacob’s relikwieën is voor mij als een rituele erkenning van mijn fouten. Het maakt me naast stil ook blij dat ik na zoveel jaar een vorm heb gevonden me ertoe te verhouden.

Het begint steeds harder te regenen. In mijn Poncho draag ik mijn rugzak, mijn last de stad binnen. Christina spreekt me pragmatisch aan om eerst onze rugzakken naar het hotel te brengen, alvorens we naar Jacob gaan. Ik heb er geen ruimte voor. Het enige wat ik kortaf kan zeggen is dat ik niet kan praten. Dat ik verder moet. Dat ik graag alleen verder loop en weet nog net te uit te brengen: ‘App me het adres van het hotel, ik zie jullie straks’.

Zo stamp ik verder. De middeleeuwse straten in. Ik heb nog één ding te doen. Eén laatste ervaring woorden te geven op papier. Ik stap een bar in en bestel zonder te vragen wat het is, eenzelfde cocktail als de barman net voor andere gasten staat te maken. De woorden vloeien uit mijn pen. Schaamteloos zet ik recht waar ik eerder te veel schuld op me heb genomen. Wat kunnen vrouwen bitcherige streken leveren in hun onvermogen en onmacht. Wat gedaan is is gedaan.

Het is volbracht. Ik heb nog een stukje papier over en kies het verleden daar te laten waar het is en mijn bedevaart te eindigen met de toekomst. Ik schrijf een brief aan J. de oudste (10) dochter van dierbare vrienden. Ik vertel haar dat ik in Santiago ben aangekomen, vraag haar of ze dit haar broertje en zusje dit wil vertellen en dat ik hen snel weer zal zien. Ik doe de brief in een enveloppe en doe hem op de bus.

Nog één rode wijn en dan verder. Buiten is het inmiddels droog geworden. Ik geniet van de stad en zie de verbeelding van mijn voorouders hoe het is met schuld en schaamte te leven. Negen mensfiguren staan in een vlammenzee, biddend, verlangend verlost te worden uit dit vagevuur. Wat deze stenen figuren niet kunnen, kan ik wel. Ik stap uit dat kader, uit het frame dat mij gevangen houdt.

Ik kan nog maar één ding bedenken dat niet is gelukt tijdens deze tocht. Gedurende de tocht ben ik steeds vaker de ‘hulp van Jacob’s in gaan roepen. ‘Jacob, binnen 30 minuten een tentje dat open is voor een kop koffie graag’. ‘Jacob, ik wil…’ Voornamelijk kleinigheden, maar het is grappig hoe vaak een wens wordt ‘vervuld’. Meer en meer groeit de beleving dat er voor me gezorgd wordt. Dat ik maar hoef te vragen.

M. heeft me zijn Camino polsbandje geleend voor ik vertrok. Hij voltooide zijn tocht in juni of juli en heeft zelfs de moeite genomen om naar mijn huis te komen en het me te komen brengen. Ik heb het ongedaan toen ik vertrok en niet meer afgedaan. Al weken kijk ik aandachtig om me heen of ik een identiek bandje kan vinden. Het stelt niets voor, maar op de één af andere manier is dit exacte bandje niet te vinden. Er zijn vele andere, naar mijn smaak allemaal lelijker.

‘Jacob’, zeg ik, ‘precies zo’n armbandje alsjeblief!’ en ik loop gedecideerd een souvenirwinkel in. Verdomd, ik geloof mijzelf niet, maar als ik na wat zoeken de polsbandjes vind blijken het exacte kopieën te zijn van degene die ik draag. Al weken niet vindbaar. Met verbazing, pret en enige zenuwachtigheid loop ik tot slot naar de kathedraal. Geen uitstel meer. Op naar Jacobus. Op naar het eind van mijn tocht.

Niet dus. Een eenvoudig bordje ontzegt mij het crescendo: geen toegang tot de kathedraal met een rugzak. Dat zal me leren me zo te laten leiden door lang vereerde heilige of sentimenten over gebeurtenissen van tijden her.

De les hier: altijd luisteren naar een pragmatische Duitse en op zijn minst even horen wat zij in haar ‘gouden reisgids’ aan wijsheid heeft opgeduikeld.

Wordt vervolgd…