Hoogte punten

Je weet dat je lang van huis weg bent als de toen nieuwe fles shampoo en tube tandpasta je niets meer geven, hoe hard je ook knijpt of wringt.

Soms gaat door mij heen: ‘ik haal mijn fiets, twee daagjes fietsen en het is wel goed zo. Hup naar huis.’ Maar dan, onverwacht, is er weer het volgende geluk op mijn weg.

Laat ik beginnen met hoe leuk het is een wandelmaatje te hebben. Ik liep in op een ouder echtpaar (73 en 75) met welke ik eerder gekletst had. Zij waren in gesprek met Christina, die die ochtend was begonnen met haar tocht in Ponferrada. Wenn komen in gesprek en al snel was onze snelheid hoger dan die van het echtpaar en met een Buen Camino liepen we uit. En eigenlijk vanaf dat moment trekken we onuitgesproken vanzelfsprekend met elkaar op.

Ze blijkt zeer goed te zijn in het verstaan van mijn brabbelduits. In elk geval laat iets haar op het juiste moment knikken en lachen en houdt ze daarmee mijn illusie in stand dat ik mijzelf betekenisvol uitdrukt.

Christina heeft tot volgende week maandag om in Santiago te geraken. Dat betekent dat ik mijn dagafstanden heb opgehoogd naar 25 km. Met om de 5 km een rust te nemen, houdt de Achilles het goed. Elke ochtend is hij iets pijnlijker maar inmiddels is Sarria (mijn oorspronkelijke wandeldoel) nog maar één dagafstand weg. Dat lukt me probleemloos.

Ik heb besloten om te kijken of ik de tocht tot Santiago lopend af kan maken. De huidige situatie van de enkel geeft het idee dat dat een mogelijkheid is. Wauw! Zou ik echt te gek vinden als dat lukt. Nog 130 km en 6 dagen…

Na de kerstliedjes van gisteravond speur ik de berg af naar sneeuwresten als we de berg bestijgen. Mijn fietsvrienden zijn anderhalve week geleden deze berg overgestoken met 40 cm sneeuw.

We lopen en klimmen op een prachtig half vervallen pad, eerst door een loofbos en dan een dennenbos. Dan zie ik de eerste sneeuwresten. Als we ergens binnen zitten bij onze koffie en verse sinaasappelsap, vallen buiten de eerste sneeuwvlokken.

Terwijl we steeds hoger stijgen verandert onze omgeving langzaam in een winter-wonderland. Als een kind zo blij stiefel ik de laatste 100 hoogtemeters op. Eenmaal boven, komen we bij de kerk van O Cobreiro.

De deur staat open en als we binnengaan is het er warm, klinkt er prachtig rustige Gregoriaans gezang. Om de hoek van de ingang staan bijna rijen met wel 200 kaarsen in rode houders te branden. Iets daaraan ontroert me diep. Ik neem de tijd en ga erbij zitten. Ik staar naar de vlammetjes en langzaam dringt tot me door dat bij iedere vlam een verhaal een pelgrim hoort. De laatste dagen is het rustiger op de weg. Waarschijnlijk omdat we niet op de hoofdpunten overnachten, maar juist halverwege de dagtochten die andere pelgrimmers lopen. Opeens zie ik in gedachten de lange rij mensen voor me lopen die deze kaarsen hier hebben aangestoken. Ik zie ook de lange rij achter me van al die mensen die dat in de komende dagen, weken, maanden gaan doen en ik voel me verbonden met al die mensen die op ‘de’ weg zijn.

De kaarsen die ik zie zijn niet allemaal vandaag aangestoken. Hooguit 20 of 30 ervan schat ik. Dat betekent dat iemand gisteravond de moeite heeft genomen om die bijna 200 kaarsen uit te blazen en ze vanmorgen allemaal weer aan te steken. Wederom besef ik me hoe deze lange stoet van mensen gedragen worden door zoveel kleine en grotere daden van vriendelijkheid en aandacht van de mensen die hier leven. Ik voel me warm en gesteund.

De weg het dorp uit leidt ons verder de besneeuwde bossen in. In mijn naïviteit had ik bedacht dat het één bergtop was die we over zouden lopen. Er blijken nog twee hoogtepunten op ons te wachten. Letterlijk deze keer. Het is net boven het vriespunt, dus de sneeuw op de top blijft mooi liggen, maar zodra we met de afdaling beginnen verandert de sneeuwval weer in regen en loop ik als snel door 10 cm natte koude drap.

Zodra we de deur van de eerst volgende herberg openmaken staan we naast een brandende open haard waar bekenden van eerdere ontmoetingen zich reeds met een rode wijn verzameld hebben.  Christina en ik besluiten na opgewarmd te zijn en gegeten te hebben toch nog 3,5 km door te lopen naar de volgende herberg.

Aan deze kant van de berg lopen we vol in de wind die met de regen recht van voren komt. In mijn hoofd zing ik marsliederen die ik als jong kind heb geleerd op de wandelclub. Christina is kleiner dan ik maar volgt mijn marstempo. In veertig minuten bereiken we onze bestemming. Buiten worden we begroet door een Barzilaanse die ik ook al eerder ontmoet hebben.

’s Avonds bij het avondeten met haar en haar reisgenoot delen zij hun ervaringen van die dag. Voor haar was het de eerste keer dat ze sneeuw zag. Ze had het gevraagd en gekregen. Ze heeft geleerd vandaag, dat als ze zich iets wenst, dat ze ook voorbereid moet zijn om het echt te krijgen. Ijskoud hebben ze het gehad. Zeker het laatste stuk van de tocht. We delen de ervaring van de kracht die in ons opkomt als we ons zo teweerstellen tegen het ontij buiten, ons doel stellen en dan marsen.

We krijgen heerlijk huisgemaakt warm eten van de waardin en de gesprekken gaan over Brazilië, over de extremen in dat land tussen arm en rijk, de diversiteit aan culturen en natuurlijk de recente verkiezingen.

Bij het het toetje, Jacobskoek, komt ook de liquor op tafel en gaat het gesprek over de persoonlijke vragen en ontdekkings tocht die ieder van ons bezighouden op de weg. Met warme omhelzing wordt de avond afgesloten.

Er komt elke dag iets minder mooi weer aan, de komende dagen zullen we veel in de regen wandelen. Eenmaal in bed gaat opnieuw de optie van de fiets halen door m’n hoofd, maar nee, als het me gegeven is wandel ik nog wel even van hoogtepunt naar hoogtepunt.