Het einde van wereld

Vanmorgen ben ik vroeg opgestaan om de kathedraal te bekijken. Met al mijn gedoe is dat er nog niet van gekomen. Om 11 uur pik ik Christina op van het hotel. We hebben een auto gehuurd voor vandaag om het laatste stuk van de Camino te bekijken en maken de reis naar Finsterre en Muxia.

Finsterre, Finis Terra, het einde van de wereld. Tot in de middeleeuwen is dit het meest westelijke puntje van de dan bekende wereld. In het oosten komt de zon op. De zon, de brenger van licht en leven. In het westen gaat de zon onder. Sterft deze, elke dag opnieuw. In prehistorische tijden dacht men op om die reden op deze plek het dichtst de bij de doden te zijn. ‘Costa da Morte’ (dodenkust) heet de kuststrook hier. Of dat te maken heeft met deze historie weet ik niet. In ieder geval heet de  kust zo vanwege de vele schepen die hier zijn vergaan. De Oceaan is hier ruig, de rotsen zijn verraderlijk. Dit is de plek waar, volgens de legende, het dode lichaam van Jacobus door twee van zijn volgelingen ‘terug’ is gebracht naar Iberië en daarna op de plek van het huidige Santiago is begraven.

Finsterre ligt op een landtong. Op het vaste land staat de berg Monte Pindo. Voor de Kelten een soort ‘Olympus’, een berg waar hun goden woonden. Vijf dagen geleden liep onze tocht dwars door een ringfort uit die tijd. Vierduizend jaar voor Christus werden de eerste vestingen gebouwd. Vermoed wordt dat de eerste rudimentaire vormen van de Camino toen al zijn begonnen door mensen die van het Iberisch schiereiland naar deze landtong trokken om raad te vragen, te offeren, troost te vinden bij hun doden, of om om hun hulp en vergeving te vragen.

We weten uit archeologische vondsten dat er in die tijd uitwisseling was tussen Zuid-Engeland, Noord Spanje tot en met de omgeving van Bulgarije. Ik heb er geen historische onderbouwing voor deze prehistorische ‘pelgrimsweg’ kunnen vinden nog, maar het verhaal word op deze manier verteld in reisgidsen en ik ben geneigd het te geloven.

Eerst brengen we een bezoek aan de waterval die geflankeerd door de Monte Pindo zich in de zee stort. We genieten van de uitzichten over de Oceaan en aangekomen in Finsterre gaan we eerst wat eten. Voor mij calamaris die hier zonder door mij zo geliefde knoflooksaus wordt geserveerd. ‘Jacob!!!’ Ik besluit Jacob een handje te helpen en loop de keuken in om met de kokkin te overleggen. Vijf minuten later smul ik van waanzinnig lekkere inktvis mèt saus. Het moment doet me denken aan een tijd dat ik argeloos vrij en brutaal door de wereld stapte en in China in 1989 de keuken ben ingelopen om daar met de kok roerei met tomaten te maken, zodat we eindelijk iets te eten hadden dat we herkenden en wel bliefden.

Terwijl ik geniet van mijzelf en de opbrengst van mijn brutaliteit is dit ook de trigger voor Christina om in emotie en dit keer in detail te vertellen over haar leven. Dat ze het licht in haar ogen verloor toen ze 21 was. Over de dood door een verkeersongeluk van haar eerste man, toen ze 23 was. Dat ze met haart tweede man, de beste vriend van haar overleden echtgenoot twee kinderen heeft groot gebracht, maar dat hij altijd het huis uit vluchtte en ze er eigenlijk alleen voor stond. Dat de politie 5 jaar geleden opnieuw aan de deur stond en haar tweede man weliswaar zijn ongeluk overleefd had, maar naar later bleek verlamd was vanaf zijn nek. Hij heeft veel mobiliteit teruggekregen, maar ze is zo boos op hem geweest. Dat na al de zorg voor haar man en haar moeder ze nu ook de zorg voor de zus van haar moeder op zich moet nemen, omdat die altijd alleen is gebleven. Ze is moe van het zorgen voor anderen en heeft deze tocht nodig om afstand te nemen en perspectief te krijgen.

Ik schrijf opzettelijke dit contrast van de banaliteit tussen mijn knoflooksaus en haar levensverhaal. Ik heb het niet verzonnen en het illustreert zo sterk hoe ik de Camino heb ervaren hoe eenvoudig plezier en platte lol, ontroering door natuur, verscheurdheid in het meeleven met een ander en zo af en toe mij eigen proces niet eens elkaar in rap tempo opvolgen opvolgen, maar eigenlijk voortdurend tegelijk bestaan. In één grote stroom van verschillende realiteit die elkaar niet beconcurreren (zoals media van uit hun belangen doen), maar elkaar versterken, beïnvloeden, werkelijker maken, tot op een punt dat ik niets anders meer kan zeggen dan: ik leef. Ik leef het leven 100%.

We wandelen naar de uiterste punt en gaan even onze eigen gang. Ik staar naar de oneindige reeks aan golven die breken op rotsen 200 meter beneden mij. In mijn portemonnee draag ik een derde steentje. Op mijn eerste fietsdag heb ik die meegenomen bij een bezoek aan het graf van mijn oma. Ik dacht, ze ligt hier nou al zo lang, die verdient een vakantie en ze vindt het vast leuk om deze reis mee te maken en mij zo bezig te zien.
Vanmorgen heb ik een aantal souvenirs gekocht, een klein Jacobsbeeld, een ‘Camino km paaltje’, andere rommeltjes. Ik overweeg of ik het steentje hier in Finsterre, het verste punt van mijn reis waar ik m’n oma mee naar toe heb kunnen nemen, achter zal laten, maar denk dat hij op het paaltje bij mij thuis misschien een beter plekje heeft.

Het is Christina die, tegen mijn verwachting in, volhoudt dat we de Oceaan in moeten. Niet hier bij de rotsen, maar iets terug op het strand in de baai gaan we in ons ondergoed onder in het zoute water. Zoals zo vaak deze tocht: alleen zijn, zadelpijn, de bergen op fietsen, de Pyreneeën overtrekken, wandelen met mijn Achilles, wandelen in de regen. Alles leek ‘ojee’ van te voren en terwijl ik het deed en toen het gedaan was. Ik heb ervan genoten. Intens genoten.

Ook nu. De Oceaan is koel, maar om mijzelf hier zo te kunnen dopen. Dit ritueel van wedergeboorte te doen. Het klopt op een manier die me pas twee uur later in Muxia duidelijk zal worden.