De Roelandspas II

Hoevaak gebeurt het dat je een dag meemaakt die je tot de top 10 van de beste dagen van je leven rekent? Vandaag blijkt voor mij zo’n dag.

Zodra ik m’n tent en zo’n vijf kilo andere niet gebruikte zooi op de post naar huis heb gedaan, fiets ik opnieuw naar de Spaanse poort.

In Bordeaux heeft iemand me erop gewezen dat ik het eerste deel van de Napoleon route (de route die de wandelaars nemen) kan fietsen en hoe ik dan terug kan keren naar de routenational (de weg die de auto’s gaan en die mijn routeboekje en GPS aangeeft voor de fietsers).

Mijn verzet blijkt nog niet gebroken. De eerste vijf kilometer heb ik gister al gezien. Hoewel te stijl voor mij om te fietsen (ik ben niet sterk genoeg en heb daarvoor niet genoeg conditie) ga ik toch de berg op. Dan maar lopen met de fiets aan de hand.

Kilometer na kilometer loop ik. Soms een kleine afdaling of een vlak stuk die ik fiets. Maar het is vooral lopen, duwen, slepen en trekken aan m’n fiets.

Ik passeer het punt tot waar ik gister gekomen ben op 700 meter. Mijn afslag ligt op 1100. Rustig doorlopen. Ik haal langzaam wat laat vertrokken wandelaars in en maak een praatje terwijl we stijgen en soms rusten.

De uitzichten zijn prachtig. Roofvogels cirkelen op thermiek omhoog. Het is half bewolkt, niet te heet, niet te koud. Ik ervaar elke seconde dat ik hier loop als een zegen.

Ik kom langs een plek waar pelgrimmers stenen hebben gelegd die betekenis voor hen hebben. Ik ben op dat moment alleen en het raakt een snaar. Drie steentjes heb ik bij me. Ieder met hun eigen betekenis. Eén daarvan met een lading die dan opeens klaar voelt om los te laten.

Dit is misschien een goede plek om iets te delen over de meer persoonlijke kant van deze pelgrimage. Ik heb het deel van de tocht tot de Pyreneeën gebruikt om stil te staan bij de dingen waar ik spijt van heb. Vanmorgen heb ik op mijn manier daar afscheid van genomen om het het ‘niet mee te hoeven nemen’ over de Spaanse grens. Om zo ruimte te maken om helemaal in de tocht op te gaan en vrij een toekomst tegemoet te treden.

Ik leg het steentje op de hoop en laat symbolisch ook dit verdriet achter me alvorens ik, weer lichter, de grens over ga.

Bij de afslag van de wandelroute naar de routenational zit een jonge Vlaamse vrouw die begin juni uit de Oekraïne is vertrokken, waar ze boert en woont. Ze heeft gefietst tot St Jean is vandaag begonnen met wandelen.

Ik vertel haar over de verleiding om niet af te dalen naar de autoweg (700 meter dalen, die ik daarna dan weer terug omhoog moet naar Roncesvalles, maar om over de pas te gaan (300 meter nog verder stijgen en daarna afdalen). Er is me verteld: het wordt een smal bospad straks.

Ze spreekt bevrijdende woorden: je hebt nog tijd genoeg en je bent snel genoeg weer hier als het niks wordt. Je kunt allicht gaan kijken…

En daar ga ik. Over de pas. Het wordt rotsig, dan modderig, dan een dik bladerbed, maar ik ben zo uitgetogen dat het me niet uitmaakt. Ik klim, sleur, stuur en ga tot de 1300.

Dan volgt de afdaling. Opnieuw een keuze: een stijl rotsig bospad naar beneden (de wandelroute) of een omweg over asfalt. Ik heb ooit van een neef geleerd: soms moet je zeggen Fuck It! De fiets, mijn fietshanteervaardigheid en haar remmen worden tot het uiterste beproefd. Waar het echt te rotsig is loop ik en zo kom ik aan in Roncesvalles, intens blij en gelukkig van een geweldige tocht die ik voor onmogelijk had gehouden.

Morgen zal ik m’n hiel en pees wel voelen. Een prijs die ik er graag voor betaal.

Tot slot nog dit: van het Klein Orkest weten we de dat je zo’n 26000 dagen hebt. Gedeeld door 10 betekent dat het minimaal 1 op de 2600 is (als er nooit eentje uit de top tien valt). Als elke dag beter is dan  de nummer tien dan is het 1 op 1? Dus tussen de 1 en de 2600 is het antwoord. Maar goed genoeg nerdieness, de vraag was natuurlijk retorisch. Dat weet ik heus wel.)